Maarten

Tot op vandaag is het moeilijk voor Maarten (25) om te duiden hoe of wanneer zijn depressie begon. “Mijn leven was één groot feest. Ik had veel vrienden, ik zat op kot, ik ging uit. Ik kwam niets tekort.” In zijn derde jaar aan de universiteit werd Maarten steeds vaker overvallen door stemmingswisselingen. “Ik kreeg een heel slecht gevoel dat moeilijk te omschrijven is. Een mengeling van boosheid en verdriet, maar het maakte mij machteloos.” Het is een herkenbaar moment voor veel jongvolwassenen: een kruispunt in hun leven. Je wordt volwassen, maar kunt nog niet helemaal zelfstandig leven, en die overgang is soms moeilijk. “Mijn structuur viel helemaal weg door op kot te gaan, dat is waar”, zegt Maarten. Wie alleen gaat wonen, moet veel veranderingen doorstaan. Op de middelbare school wordt alles voor jou geregeld, je hebt een vaste invulling van de dag, en er wordt voor je gezorgd. Als je verder studeert of gaat werken, verschuiven die patronen en dat heeft bij Maarten ook wat emoties losgemaakt. “Voor ik aan de universiteit studeerde hoefde ik niet echt na te denken. Plots moest ik zelf mijn dagen vullen en dat was voor mij zo moeilijk, dat er gewoon een leegte achterbleef die steeds moeilijker op te vullen werd.”

Na verloop van tijd overheerste dat slechte gevoel steeds meer en begon Maarten er echt onder te lijden. Totaal onaangekondigd kwamen die droevige buien opzetten, en Maarten had er geen controle meer over. “Of ik nu in de les zat, of thuis was, of ergens op een feestje of in de cinema, ik merkte dat ik mij constant slecht voelde, eender waar, eender wanneer.” Op dat moment besloot Maarten hulp te zoeken, maar achteraf gezien was dat al te laat zegt hij.Nu ziet hij dat hij toen al een zware depressie had, die zijn dagelijkse leven overheerste. Hij had geen energie meer om buiten te komen of om af te spreken met vrienden. “Mijn vrienden nodigden mij wel nog uit om mee te komen chillen en te feesten, maar op de duur was het mij zelfs te veel om nog te antwoorden op die berichten.” Maarten voelde dat het zo niet verder kon en is dan uit eigen initiatief opgenomen in de psychiatrie. “Met mijn laatste krachten heb ik dan mijn psychiater gebeld en gezegd dat ik wilde opgenomen worden. Zelf kon ik het niet meer oplossen.”


“Voor ik aan de universiteit studeerde hoefde ik niet echt na te denken. Plots moest ik zelf mijn dagen vullen en dat was voor mij zo moeilijk, dat er gewoon een leegte achterbleef die steeds moeilijker op te vullen werd.”


Maarten is co-assistent in de kinder- en jeugdpsychiatrie in Leuven, een job die hij sinds zijn depressie met een heel andere blik bekijkt. Tijdens zijn opname duurde het lang voor Maarten met een therapeut kon spreken, waardoor hij zich niet gehoord voelde. “Ik was echt een nummertje in dat ziekenhuis, en achteraf ben ik daar eigenlijk slechter uitgekomen. Nu zie ik dat die opname gewoon op dat moment niet het beste plan was voor mij.” Tijdens een opname ben je voor een bepaalde periode geïsoleerd van de buitenwereld, maar voor sommigen is dat niet bevorderend. Daarom probeert Maarten het nu als psychiater anders te doen. “Toen ben ik wel even mijn geloof in de psychiatrie verloren,” geeft hij toe, “maar uiteindelijk werd het een motivatie om zelf voor psychiater te studeren. Nu ben ik echt gelukkig om te zeggen dat ik co-assistent ben in de psychiatrie, voor mij is de cirkel rond.” Zijn ervaringen zijn weliswaar een groot voordeel voor het werk dat hij nu doet.



Maarten had het voordeel dat hij heel open met zijn vrienden kon praten over zijn gevoelens. “Ik ben van in het begin openhartig geweest, want dat bleek meer positieve dan negatieve gevolgen te hebben.” Maarten vertelt dat het deugd deed dat zijn vrienden van in het begin betrokken waren. “Aanvankelijk voelde ik wel een drempel om daarover te vertellen, maar ik voelde dat ik die mensen goed genoeg kende om zulke dingen te kunnen zeggen.” Het ging ook niet om de grote gebaren of opofferingen, maar meer de kleine dingen die hem veel hielpen. “Er waren verschillende mensen die mij geholpen hebben, elk op hun manier.” Het belangrijkste is volgens Maarten om je verwachtingen duidelijk te communiceren. Niet al zijn vrienden gingen op dezelfde manier om met zijn depressie, en dat was oké, vertelt hij. “Sommigen kunnen daar beter mee om dan anderen, maar iedereen kan op een persoonlijke manier iets voor je betekenen. Er zijn vrienden die er niet steeds over wilden praten, maar die kwamen tijdens mijn opname wel langs om gewoon eens een uurtje op café te gaan of te gaan poolen. Een vriendin heeft heel eerlijk gezegd dat ze niet graag in een psychiatrisch centrum komt, maar zij heeft mij dan brieven gestuurd en dat was haar manier om mij te steunen.”


“Die relaties mogen niet veranderen door je depressie. De manier waarop je iets voor iemand betekende, kan hetzelfde blijven op het moment van psychische problemen.”


Ondanks die grote vriendenkring, heeft Maarten zich wel heel lang een buitenbeentje gevoeld. “Dat is moeilijk te zeggen waarom, maar tijdens een depressie voel je je toch anders dan de anderen. Ik denk dat je daar als groep niet beter op kunt reageren dan gewoon normaal te blijven doen.” Het allerbelangrijkste om te onthouden, is dus dat je vrienden het beste gewoon je vrienden blijven. Je kunt van hen niet verwachten dat ze je kunnen genezen, of dat ze hetzelfde effect hebben als een therapeut, benadrukt Maarten. “Als je een psychologisch probleem hebt en je hebt hulp nodig, moet je enerzijds professionele hulp zoeken, en anderzijds kun je zeker een beroep doen op je vrienden en familie om je tijdelijk op te vangen als het niet goed gaat. Zij spelen een belangrijke rol, maar die relaties mogen niet veranderen door je depressie. De manier waarop je iets voor iemand betekende, kan hetzelfde blijven op het moment van psychische problemen. Je moet niet ineens psychiater of psycholoog willen zijn, want dat lukt toch niet en het is absoluut niet nodig.”

Maarten had een vriendin, maar de relatie overleefde de depressie niet. Vandaag heeft Maarten een nieuwe vriendin, Marie-Anne, met wie hij goed kan praten over zijn emoties, ook als het niet goed gaat.

“Het blijft mij eigenlijk een raadsel hoe ik depressief ben kunnen worden”, besluit Maarten. Dat bewijst dat het iedereen kan overkomen, en de meest troostende gedachte is dat een depressie een ziekte is die over kan gaan, vindt Maarten. “Ik was tot mijn twintig een supergelukkige jongen dus ik wist dat dat kon. Ook al zou mijn depressie jaren duren, ik wist dat die jaren ervoor zo leuk waren geweest. Dat heeft mij de hoop gegeven dat dat terug kon komen en die hoop is werkelijkheid geworden.”


Hoor Maarten bezig over: